Cijferberekening

 

Inleiding

De leerlingen worden tijdens de lessen LO op verschillende vlakken beoordeeld. In de jaarplanning van elk leerjaar zijn verschillende bewegingsactiviteiten opgenomen waar de leerling een prestatiecijfer voor krijgt. Daarnaast zijn ook andere aspecten in het vak LO belangrijk, zoals sportiviteit, mentaliteit en sociale omgang. Deze aspecten neemt de docent mee in zijn eindbeoordeling per periode, wat terug te zien is op het rapport.

Prestatiecijfer

De leerlingen krijgt een prestatiecijfer voor elk onderdeel/ eindterm dat wordt afgesloten. Dit cijfer geeft de leerling een indicatie hoe goed hij/ zij in dat onderdeel is. De docent geeft prestatiecijfers tussen de 5 en de 10.

Rapportcijfer

De leerling krijgt een rapportcijfer aan de hand van: de prestatiecijfers, de inzet, het behaalde leerresultaat en de sociale vaardigheid. Alleen het prestatiecijfer krijgt de leerling te horen van de docent, de andere aspecten worden door de docent ingeschat en komen alleen tot uiting in het rapportcijfer. De docent geeft rapportcijfers tussen de 5 en de 10.

Voorwaarden rapportcijfer bovenbouw

  • De leerling moet alle praktische opdrachten afgesloten hebben om een beoordeling te krijgen op zijn/ haar rapport.
  • De bovenbouwleerling moet alle eindtermen hebben afgesloten wil hij een rapportcijfer krijgen. De leerling kan een eindterm praktisch of theoretisch in overleg met de docent inhalen. Indien een leerling niet alle eindtermen heeft afgesloten komt er op het rapport 'onvoldoende gegevens' te staan.
  • De leerling krijgt als eindbeoordeling een O, V of G. De leerling moet LO met een voldoende afsluiten wil hij/ zij een diploma krijgen (zie PTA).